

Nog tot 30 januari in Diepenheim. Anne kon de betekenis van de titel niet uitleggen. Maar als ze het wel had gekund "dan had ze het niet hoeven maken". Dat zou inderdaad jammer zijn geweest.


Nog een andere video is te zien via de onderstaande link.
Het filmpje start vanzelf:
http://www.mae.es/bienalvenecia07/artista_en_torreznos.html
Meer informatie over de Biënnale en video's op de site van David Byrne, waar de bovendtaande video ook vandaan komt:
http://journal.davidbyrne.com/2007/07/7907-venice-bie.html
Het studiejaar is weer begonnen. De muziekgeschiedenisklas is wat uitgedund tot 20 en we gaan nu van Mahler tot hedendaags in een half jaar. Ik heb een eerste scriptiebespreking gehad, heb keuzevak Spaans weer afgezegd omdat me dat iets voor beginners leek (stewardessencursus noemt E. dat) en ga Javaanse gamelan proberen te spelen.De vraag is nu, wat doet de componist hiermee. Mahler schrijft muziek die op en neer gaat en die steeds spiegelbeeldig, symmetrisch is. Hij zet in het tweede deel niet de melodie op zijn kop, maar hij doet het in de instrumenten. Als we boven water zijn speelt een piccolo met de zanger mee. In de waterspiegeling zingt de tenor hetzelfde, maar nu zit er een fagot in de begeleiding. Hoog en laag, dus.
De waterspiegeling is ook heel mooi gedaan, de muziek vertraagt tot je het gevoel hebt dat er absolute bladstilte is en het water één grote spiegel.

Het is ooit Duits geweest en trekt veel Duitse toeristen, mede omdat in Nida (Duits: Nidden) zich het huis bevindt dat ooit van Thomas Mann is geweest. Nadat Mann de Nobelprijs had gekregen (1929) liet hij er een huis bouwen hoog op een duin met uitzicht op het haf, in de traditionele blauwe kleur van de visserhuizen daar. Twee zomers slechts kon hij er gebruik van maken (hij werkte er aan Jozef und seine Brüder). Toen kwam Hitler aan de macht en werd het geconfisceerd. Lithause intellectuelen wisten het te conserveren en nu is het een cultureel centrum en museum.

Voor de cursus flamenco moest er ook nog een essay ingeleverd. Dat schreef ik over het Concurso de cante jondo (flamencozangconcours) in Granada in 1922, dat werd georganiseerd met medewerking van de componist Manuel de Falla, die vreesde dat deze zang aan het uitsterven was. Een leuk onderwerp, want er was nogal ruzie over in de pers. Sommige Spanjaarden hielden in die periode niet van stierengevechten en flamencozangers, dat gaf maar een verkeerd beeld van het land. Zoiets als dat Nederland wordt voorgesteld als een land vol boeren op klompen. Bovendien waren ze in Sevilla jaloers en er mochten alleen amateurzangers optreden wat bij de professionele zangers weer niet goed viel.


Geïntrigeerd door het fenomeen, en vanwege een vraag van de docent of er geen beeldmateriaal was dat uitsluitsel kon geven op mijn vragen, ben ik gaan zoeken naar plaatjes. Nu is Goya bij uitstek een schilder/tekenaar van volkstaferelen, hij leefde vlak voor het ontstaan van flamenco, dus het lag voor de hand te kijken of er muzikanten in zijn werk voorkomen. En ja, hoor. Maar liefst drie afbeeldingen, allemaal van blinde zangers/gitaristen. Uit het begin van de 19e eeuw.
Het Holland Festival is begonnen. In de Zuiveringshal (Westergasfabriek) is een prachtige dansvoorstelling te zien van Paul Lightfoot en Sol Léon (Nederlands Danstheater) op muziek van Philip Glass. Hierbover zie je Sol aan het werk.
De voorstelling is spannend, niet alleen omdat er schitterend wordt gedanst, en de decors prachtig zijn en bovendien steeds in beweging, maar ook door de mimiek van de dansers die je goed ziet omdat je dicht op het toneel zit. Dat wordt gerealiseerd doordat de zaal in tweeën is gesplitst. Aan beide kanten is er een tribune, voor de pauze zit je aan de ene kant en na de pauze aan de andere kant in spiegelbeeld (je linkerbuurman zit nu rechts). De muziek is hetzelfde, anders zou het natuurlijk een janboel worden.
Mijn laatste college in het tweede jaar ging over de Ursonate van Kurt Schwitters. De Ursonate is geen sonate en feitelijk ook geen muziek, maar een klankgedicht. Het bijzondere is echter dat Schwitters die er van 1921 tot 1931 aan werkte, deze totale onzinklanken in een muzikale vorm zette, te weten die van de sonate. Het is dus een vierdelig stuk (Rondo. Largo. Scherzo. Presto) waarbij de volgorde niet helemaal volgens de regels is want een rondo hoort achteraan.